Hantje Zijlstra

Dood van slager en veehandelaar Hantje Zijlstra was brute roofmoord

Een interview bij  dochter Tyn Zijlstra, door Cees Walinga

VIJFHUIS Op dinsdag 16 januari 1945 werd op enkele tientallen meters van zijn boerderij op Vijfhuis veehandelaar en slager Hantje Zijlstra vermoord. Verzetsmensen schoten hem fietsend op de terugweg van de Sneker veemarkt in koelen bloede neer omdat ze het op zijn beurs met daarin 1000 gulden hadden voorzien. Het was geen verzetsdaad maar een laffe roofmoord.

De wonden die de daders sloegen zijn 65 jaar na dato nog niet geheeld bij dochter Tyn Zantman-Zijlstra, die aan de Kleine Dijlakker in Bolsward woont. Tyn Zantman is de enige nog levende van de acht kinderen van Hantsje en Minke Zijlstra. Ze was twaalf toen haar vader op 27 januari aan de gevolgen van de aanslag overleed in het Sint Antonius ziekenhuis van Sneek. De volgende dag werd ze 13.

,,Een dag later, precies op zijn 52ste verjaardag is de kist met heit ons huis binnengedragen. Het huis waar hij is geboren en zijn hele leven gewoond heeft”, liet ze optekenen in het boek Omsjen, geschreven door Ada Zantman. Hij werd op de eerste dag van februari begraven op het kerkhof bij de kerk van Wolsum.

,,We rijden over Remswerd en Wolsumerketting naar de kerk. De kleine kerk zit vol met familie, buren en onderduikers. Ik vind het wel moeilijk om met mem, Jeis en mijn broers door te lopen naar de voorste banken, omdat ik alweer tranen in mijn ogen voel branden. En als dominee een psalm inzet, kan ik niet meezingen omdat er zo’n raar gevoel in mijn keel zit.”

Het rare gevoel over de dood van haar vader is de familie Zijlstra nooit kwijtgeraakt. Zijlstra werd het slachtoffer van verzetsmensen die hem niet om het leven brachten omdat hij een gevaar was voor de veiligheid en het verzet, maar louter uit roofzucht. Mevrouw Zantman vindt daarom dat het verzet de daad ook niet aangerekend kan worden, maar dat het puur op het persoonlijke conto komt van de daders.

Het brein achter de aanslag was de uit Bussum afkomstige Gerard Reeskamp (schuilnaam Harry), districts operatieleider van de BS in Scharnegoutum die de uitvoering over liet aan de knokploegleden Jantinus Pieters (Tinus) en Jan Bosga (Charley). In het complot acteerde verder Sneker G. Walinga, die het slachtoffer op de veemarkt moest aanwijzen. Ze pikten Zijlstra als slachtoffer uit omdat bekend was dat hij het onder de zware omstandigheden nog goed had.

* Heit wie in man fan hannel en der waard ek wolris in ko slachte al mocht dat net fan ‘e Dútsers”,

* “Vader was een handelaar en er werd ook wel eens een koe geslacht, ook al mocht dit niet van de Duitsers” 

vertelt dochter Tyn. * De Dútsers ha ris by ús op ‘e pleats west. Wy hiene it slachthús en de winkel skjin tochten we mar der leine noch poaten fan slachte kij. Doe moast de rest fan de ko ek foar it ljocht komme. It fleis is nei Snits brocht, mar dêr troch it ferset út it koelhús fan Jaasma helle en nei it sikehûs brocht.”

* “De Duitsers waren al eens op het erf geweest. We hadden het slachthuis en de winkel schoon dachten we, maar er lagen nog poten van een geslachte koe. Toen moest de rest van de koe ook tevoorschijn komen. Het vlees is naar Sneek gebracht maar daar door het verzet uit het koelhuis van Jaarsma gehaald en naar het ziekenhuis gebracht”.

De latere moordenaars bezochten de boerderij eerder al eens vermomd als Duitsers. Ze hadden het toen op het geld van Zijlstra gemunt, maar kregen het niet omdat zijn echtgenote de portemonnee onder haar rokken verstopte.

Zijlstra handelde niet uit eigen gewin, vertelt zijn dochter. ,,Hy stie klear foar eltsenien.”

*  “Hij stond klaar voor iedereen”

Op de boerderij in Vijfhuis vonden onderduikers onderdak en Zijlstra regelde ook dat anderen een plek kregen bij boeren in de buurt. Een van de Joodse onderduikers, Betty Metselaar, trouwde na de oorlog met Hantsje, één van de zonen. Als het verzet iets nodig had, kon men bij Zijlstra terecht, die ook een paar melkkoeien had. * Heit skonk geregeld jild en fleis oan it ferset. Hy hie in goed hert, mar wie nearne bang foar. Hij mocht de Dútsers net lije en woe al syn jild wol ruilje om ús broer en syn soan Tjalling frij te krijen. Dy siet earne yn Poalen gefangen.”

*  “Vader schonk geregeld geld en vlees aan het verzet. Hij had een goed hart, maar was nergens bang voor. Hij kon de Duitsers niet uitstaan en wilde al zijn geld wel ruilen om onze broer en zijn zoon Tjalling vrij te ktijgen. Die zat ergens in Polen gevangen”

Dat er nauwelijks schaarste was op de boerderij had ook te maken met de spaarzin van mem, weet dochter Tyn. * Mem seach de swiere tiid al fier foar de oarloch oankommen. It komt net goed sei se ein jierren tritich al. It wie krekt as makke se har doe al klear foar de drege tiid dy’t komme soe. Se bewarre alles.”

*  “Moeder zag de zware tijd al ver voor de oorlog aankomen. Het komt niet goed zei ze eind jaren dertig al. Het was net alsof ze zich al voorbereidde op de moeilijke tijd die komen zou. Ze bewaarde alles”.

De aanslag op Zijlstra sloeg in als een bom in het buurtschap aan de Bolswardervaart. De daders leken er echter mee weg te komen. Reeskamp, zo schreef Peter Wybenga, chroniqueur van het Fries verzet, ‘was een man met de moed en mentaliteit van een gangster’. Na enkele dubieuze activiteiten kreeg hij in Sneek en omstreken echter geen steun meer van het verzet. Op eigen houtje overviel hij het distributiekantoor van Wommels. Ook die buit stak hij in eigen zak.

Nadat Bosga op die koude januaridag het fatale schot had gelost en Zijlstra in het ziekenhuis terechtkwam, infiltreerde Reeskamp zelfs in het ziekenhuis. Hij verscheen in een witte jas aan het bed van de zwaargewonde Zijlstra om er zeker van te zijn dat Zijlstra niet weer zou spreken.  * ,,Us mem hat wol mei him praten, mar hat net witten dat it Reeskamp wie. Se tocht dat it in dokter wie; hy spruts ek Hollânsk.”

*  “Onze moeder heeft wel eens met hem gepraat, maar heeft nooit geweten dat het Reeskamp was. Ze dacht dat het een dokter was. Hij praatte ook Nederlands”.

De dood van haar vader was erg, maar het werd nog pijnlijker doordat er geroddeld werd dat het een daad was geweest om de ‘foute’ Zijlstra uit te schakelen. ,,Der wie sels in juffrou op skoalle dy’t my dat op in gemene wize witte lied.” Zo zou de moord de geschiedenis in zijn gegaan als buur Auke Andela, de man die samen met Zijlstra op de fiets onderweg was naar huis toen de aanslag plaatsvond, niet meteen op zoek was gegaan naar de huls van de kogel, die bij de plaats delict moest liggen. Hij wilde de waarheid boven tafel en de daders bestraft hebben.

Andela vond de huls en ging er mee naar de Sneker rechercheurs Aukema en De Jong.  * ,,As dizze plysjemannen net trochsetten hiene dan wie de saak nea oplost.”

* “Als deze politiemannen niet doorgezet hadden, was de zaak nooit opgelost”.

Reeskamp had met zijn invloed bekendgemaakt dat de daders niet te vinden waren. Het speurwerk werd echter over de bevrijding heen getild.

Belangrijk in het rechercheonderzoek van de politie was het opgraven van het lichaam van Zijlstra in november 1945 om te kunnen zien of de door Andela gevonden huls overeenkwam met de nog in het lichaam van Zijlstra aanwezige kogel. Op het kerkhof van Wolsum werd het bizarre onderzoek uitgevoerd. Reeskamp en Bosga zaten toen in Nederlands Indië. Ze werden als verdachten in het onderzoek en voor de krijgsraad naar Nederland gehaald.

De krijgsraad te velde eiste tegen Jan Bosga zes jaar. Hij werd er van beschuldigd Hantsje Zijlstra opzettelijk met een mauserpistool te hebben neergeschoten en beroofde hem samen met Tinus. Een doodslag onder verzwarende omstandigheden.” Bosga verdedigde zich door te zeggen dat Reeskamp opdrachtgever was en hij in de veronderstelling was dat het ‘een zuiver ondergrondse’ opdracht ging. Reeskamp en Pieters kregen eveneens zes jaar. In hoger beroep werd het voor Bosga een jaar met aftrek, Pieters 1,5 jaar met aftrek en Reeskamp 2 jaar. Op de dag van de kroning van koningin Juliana in 1948 kreeg Reeskamp gratie.

De liefde voor het koningshuis is er niet minder om bij mevrouw Zantman, getuige een abonnement op het blad Vorsten. ,,Dêr koe de keninginne ek neat oan dwaan. * Wy wiene tige Oranje. Op Fiifhús fierden wy yn ‘e oarloch keninginnedei en we hiene Afrikaantsjes yn ‘e tún.”

* “Daar kon de koningin ook nierts aan doen. Wij waren erg oranjegezind. Op Vijfhuis vierden we ook in de oorlog Koninginnedag en we hadden Afrikaantjes in de tuin.”.

Het feit dat de daders berecht zijn, gaf de familie genoegdoening, maar de pijn van het verlies van haar vader verdween nooit. De wond van het verdriet werd vorig jaar des te meer opengereten bij de verschijning van het boek ‘Recht op Wraak’ van journalist Jack Kooistra en historicus drs. Albert Oosthoek. De moord op Hantsje Zijlstra bij Wolsum wordt daarin beschreven als een liquidatie van een zwarthandelaar door het verzet.

*  ,,Dat is dochs net te leauwen. Der hat in rjochtsaak west, der is rjochtsprutsen en wol dúdlik dat it om roofmoord gie en dan wurdt it brocht as wie ús heit in swarthanler”,

* “Dat is tocjh niet te geloven. Er is een rechtzaak geweest, er is recht gesproken en wel duidelijk dat het om roofmoord ging. En dan wordt het gebracht alsof vader zwarthandelaar was.”,

klinkt de verbijstering in de stem van Tyn Zantman. De familie heeft bij de auteur opheldering gevraagd. In een volgende druk zal de passage verwijderd worden, beloofde Kooistra. Hij schreef de familie in een briefwisseling: ,,Helaas is gebleken dat lang niet alle personen, die zich uitgaven voor verzetsmensen, goed hebben gehandeld. Dat is ook duidelijk geworden met betrekking tot de zeer spijtige gebeurtenissen rondom uw vader. Na de bevrijding hebben leden van de ondergrondse in hun rapporten niet altijd de waarheid aan de openbaarheid prijsgegeven.” ,,We willen duidelijk maken dat de beide auteurs geen sensatiezoekers zijn geweest, maar door een zekere eenzijdige vorm van voorhanden liggende informatie de gegevens hebben neergelegd.”

,,Ik bliuw it frjemd finen dat ûndersikers sokke útspraken fan ‘e krijgsraad oer de holle sjoen ha. Dan bin je gjin goed ûndersiker.” Volgens mevrouw Zantman hebben Kooistra en Oosthoek zich simpel laten leiden door een artikel in de Leeuwarder Courant van vijftien jaar geleden bij 50 jaar bevrijding met dezelfde teneur als hun stuk in het boek. Terwijl ook dat LC-artikel destijds gerectificeerd is.

65 jaar na de oorlog en de moord op haar vader moet dochter Tyn hem nog steeds verdedigen en leugens uit de wereld helpen. * ,,En dat docht noch it meast sear. Mem koe it loslitte en oerjaan, tenminsten dat tochten we, mar by har begraffenis sei de dûmny yn 1986 dat se der noch eltse dei mei omrûn. As je heit fermoarde wurdt en der wurdt kwea fan him sprutsen wylst er goed is, dan lit dat je nea wer los. Ek de bernsbern ha dat meikrigen.”

* “En dat doet nog het meest zeer. Moeder kon het loslaten en over geven, tenminste dat dachten wij. Maar bij haar begrafenis zei de dominee, dat ze er nog iedere dag mee omliep. Als je vader vermoord wordt en er wordt kwaad van hem gesproken, terwijl hij goed is, dan laat je dat nooit meer los. Ook de kleinkinderen hebben dat meegekregen”.

Bolsward, april 2010

Eén reactie

  1. Hanrje Zijlstra

    I am the oldest grandson and I never saw my grandfather because four criminals killed him. Don’t call them resistance fighters. They were murderers. The Netherlands government owes all of my family an apology.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *